Krimpen en Zwellen massief hout

Krimpen en zwellen van massieve parketvloeren bij verschillende verwarmingen en klimaten

Steeds meer tegenstrijdige berichten verschijnen in parketsprookjesland over het krimpen en zwellen van houten vloeren. Om nu af te rekenen met deze ideeën geven wij u onderstaand een overzicht waarmee u zelf uit kunt rekenen hoe groot de eventuele krimpnaden en zwellingen kunnen worden.

Houtvochtopname

Het is bekend dat hout zich instelt naar de Relatieve Luchtvochtigheid (RLV) en temperatuur welke in de omgeving heersen. Onderstaande afbeelding toont aan hoe hoog het houtvocht zich langzaam bij welke temperatuur zal instellen.

Woonkamerklimaten

In de woonvertrekken zal tijdens de zomerperiode een RLV heersen van 50 tot 85% terwijl de RLV in het stookseizoen ongeveer 30 tot 50% zal zijn bij een temperatuur van 20°Celsius.

Gedurende het gehele jaar ligt de gemiddelde RLV in woonvertrekken op circa 50%. De bovenstaande afbeelding laat zien dat het houtvochtpercentage bij een RLV van 50% circa 9,2% zal bedragen. Aan de hand van deze evenwichtswaarde wordt parkethout kunstmatig terug gedroogd tot 9% (+/- 2%).

Schotelen en krimpen

Uit diverse temperatuur onderzoeken is komen vast te staan dat parket en ruimtevocht pas na enige tijd in evenwicht zullen zijn. Tegen het einde van de zomerperiode of de stookperiode heeft de parketvloer zeker zijn evenwichtsvochtigheid benaderd waardoor zich forse houtveranderingen hebben voorgedaan tijdens het jaarverloop.

Het zal bekend zijn dat hout tijdens de vochtveranderingen zijn afmetingen in breedte, dikte en lengte zal veranderen, het zogenaamde werken van het hout.
Ook de zaagrichting in dosse of quartiers gezaagd hout zal andere verschillen in de hout dimensie veroorzaken.
Onderstaande tabel geeft een opsomming van enkele houtsoorten met hun procentuele maatverandering bij een houtvocht verandering van 1%.
Door de vermenigvuldiging van de afwijkmaat maal de relatieve luchtvocht verandering verkrijgen wij de procentuele maatverandering van het hout T (T=V x U).
U =maximaal-minimaal te verwachten houtvocht.

Zwel en krimpberekening

Onderstaand geven wij een voorbeeld waarmee u van te voren de grootte van de krimpnaden en de zwellingen kunt bepalen in een woning met centrale verwarming. Er wordt in dit voorbeeld vanuit gegaan dat afstrijklaag en betonvloer goed droog zijn en dat andere inwerking van vocht is uitgesloten. Ook dit kan namelijk van invloed zijn op het werken van de vloer, denk hierbij aan nog niet voldoende droog stuc- of pleisterwerk en onzichtbare lekkages.

Voorbeeld

Maximaal te verwachten tijdens de zomerperiode:
In de woonomgeving heerst een temperatuur van 20°C en een RLV van 75%, het houtvocht kan maximaal 14,4% bedragen
Minimaal te verwachten tijdens het stookseizoen:
In de woonomgeving heerst een temperatuur van 20°C en een RLV van 35%, het houtvocht kan dan maximaal 7,0% bedragen.

Hieruit kunnen wij berekenen:         U=maximaal – minimaal te verwachten houtvocht
U= 14,4% – 7,0% = 7,4%

Tussen zomer en winter ontstaat dus een maximaal houtvochtverschil van 7,4%.
Bij een dosse/quartiers gezaagd deel Eiken is de afwijkmaat per % (V) 0,26% (zie tabel).

In dit voorbeeld is de procentuele maatverandering derhalve U x V = T
Oftewel 7,4% x 0,26% = 1,92% maximale maatverandering.

Op een strokenvloer Eiken van 70mm breed kan dit in het ongunstigste geval een afwijking van 1,3mm per strook betekenen en op een Eiken plank met een breedte van 180mm zelfs 3,5mm.

Bovenstaande zijn maximumwaarden. Hout neemt maar langzaam vocht op en staat dit maar langzaam af. De kans dat een plank 3mm krimpt / uitzet is dan ook gering. Het is echter wel zaak dat de gemiddelde RLV in woonomgevingen zo veel mogelijk tussen de 50% en 65% wordt gehouden. Een hygrometer registreert deze waarden, luchtbevochtigers helpen u binnen de norm te blijven.